3. De Naam "Te Selle"
Het erve "De Selle"
In Saksische streken in het oosten van Nederland, waaronder natuurlijk de Achterhoek en Winterswijk hebben
familienamen gewoonlijk de volgende kenmerken: vele namen hebben de uitgang '-ing' of '-inch'; de namen die
van plaatsnamen stammen, worden voorafgegaan door te,
ten, of ter; veel namen worden nader bepaald door de
bijvoeglijke naamwoorden 'groot' of 'klein', 'lutje' of 'lutke', 'oud' en 'old', met als tegenstelling 'nij' en 'nie'.
Voorbeelden in het Winterswijkse zijn: Groot Korreling, Groot Landweer, Groot Nebbeling, Klein Nebbeling,
Klein Poelhuis, Klein Langen horst, Lutjenkossink en Lutke Schipholt. Ook vinden we , Oude Heuvel, Oude
Nijhuis, Olde Kalter, Nije Twilhaar, Nijweide, Nieuw Beusink. Soms vinden we zelfs twee bijvoeglijke
naamwoorden achter elkaar, zoals in Olde Nije Wheme, en Olde Grote Bevelsborg.
Een tweede kenmerk van de Oost-Nederlandse familienamen is het grote aantal waarvan het tweede element
"huis" is. Ook in Winterswijk vind je Nijenhuis, Nijhuis, Groothuis, Berghuis, Kamphuis, Lohuis, Nienhuis,
Rothuis, Slijkhuis en Veldhuis.
Een derde is het type waarbij de familienaam is samengesteld uit een aardrijkskundige term met een
persoonsnaam als tweede element: Broek-roelofs, Dinkelharbert, Schopbarteld, Schuurhannes, Zandjans.
De uitgangen '-ing' en '-ink'.
Een van de opvallendste kenmerken is echter de uitgang "-ing" , waarvan de uitgang "-ink" een
uitspraakvariant is, ontstaan door verscherping van de slotmedeklinker; in oude geschriften wordt deze variant
weergegeven door de spelling "-inc" of "-inch". Tegenwoordig vinden we een enkele maal de spelling "- ingk",
zoals in Alberdingk, Odingk en Smedingk.
De uitgang dateert uit vroeggermaanse tijden en had de hoofdbetekenis "behorende aan", maar het kan ook
uitgelegd worden als "zoon van", en het is vooral in deze betekenis dat we hem, aan voornamen gehecht,
aantreffen. De uitgang was niet specifiek Oost-Nederlands, maar kwam in het gehele Germaanse taalgebied
voor, vooral in het Oud-Saksische en Angelsaksische deel.
Geleidelijk ging de betekenis van "zoon van" over in "afstammeling van" of "behorende tot de familie of het
gevolg van", gehecht aan de naam van een aanzienlijk man. Zo ontstonden namen van koningshuizen als
Merovingen en Karolingen. De laatsten de afstammelingen van Karel de Grote.
In de achtste eeuw komen we ook voornamen op "ing" tegen: Ameling, Erming, Harding, Huging, Ruding,
Willing. Tegenwoordig bestaan er nog enkele, zoals Azing, Dunning, Haring en Nanning. In de kleine
gemeenschappen van die tijd was één naam voldoende, maar later had men een voornaam en een
geslachtsnaam nodig; het eerste voorbeeld in Oost-Nederland is Heinricus Emmikinc, in 1200 in Hummelo
vermeld, zoon van Emmiko.
Wanneer in die overoude tijden iemand die Willing heette zich ergens als boer vestigde, dan werd zijn huis en
erve naar hem genoemd, en werd het op deze wijze een erfnaam, die in de categorie der plaatsnamen
thuishoort. Albert te Selle bewoont de oude boerderij "Fökkink" in Kotten.
Waarschijnlijk heeft dus dit oude erf heel lang geleden een eerste bewoner gehad die Fökkink heette. En deze
naam betekent dan weer "zoon van Fokke of Foke". Dat de betekenis "zoon van" nog lang levend bleef, blijkt
uit een vermelding van iemand uit Ootmarsum die in 1335 aangeduid werd als Egbert Tackensoen (zoon van
Tack), maar in 1337 en volgende jaren als Egbert Tackinc; hier heet hij duidelijk naar zijn vader.
Maar voor vrijwel alle namen op "-ing" of "-ink" moeten we aannemen dat het oorspronkelijk erfnamen zijn,
zodat iemand die Fökkink heet, vrij zeker niet van een voorvader Fokke stamt, maar van een erve Fökkink. In
onze familiestamboom komen we "-inknamen in grote aantallen tegen: Willink, Zegelink, Aarnink, Bennink,
Besselink, Boeijink, Harmelink, Hesselink, Kruisselbrink, Obbink, Stemerdink, Wassink, Willink, Wilterdink en
Zegelink.
Overigens is bovenstaande verklaring van de "-inknamen" bepaald niet onomstreden. Zo schreef J.G.
Graaskamp in de Nieuwe Winterswijkse Courant het onderstaande artikel:
Wat betekent de uitgang "-ink" nu eigenlijk?
Winterswijk heeft zo'n groot aantal hoeve- en achternamen, die op "-ink" eindigen, dat bijna het gehele alfabet
vertegenwoordigd is, van Aarnink tot Zieverdink (ook wel Sieverdink). Nog steeds wordt door velen beweerd,
dat deze uitgang 'Zoon van' betekent, omdat zij meestal achter een oude voornaam staat. Om maar bij Aarnink
te blijven, deze naam ontstond uit Arend-ink, dus duidelijk uit een voornaam. Maar bij Schurink (Meddo) en
Winkelhorstink (Aalten) is dit niet het geval. We hebben hier kennelijk te doen met een gebouw (schuur) en
een stuk grond (winkel-horst). In verband hiermee zijn we in Winterswijk bijzonder gezegend met het feit, dat
over onze hoevenamen zeer veel Middeleeuwse gegevens in her en der verspreide archieven bewaard gebleven
zijn, waaruit we tamelijk precies kunnen opmaken, wat de uitgang "-ink" hier oorspronkelijk inhield. Daarbij
blijkt, dat de mensen hier in de 11e eeuw nog zonder "-ink" achter hun naam rondliepen.
De oudste oorkonde, die we omtrent Winterswijkse goederen bezitten, is een lijst van inkomsten (Heberolle in
't Duits) van het Sint Maurits-stift te Munster uit de jaren 1050. Hierin komen onder andere voor de
hoevebewoners Hoyko, Hezel, Heyo, Boso en Menso.(1) Duidelijk is te zien, dat door toevoeging van "-ink"
hieruit de hoevenamen Hoykink (nu Huitink), Hesselink, Hijink, Beusink en Mensink zijn ontstaan.
Dit stemt geheel overeen met de bekende Heberolle van het klooster Frekkenhorst, Kreis Warendorf, uit
ongeveer 950, waarin de eigenaren van de cijnsgevende hoeven ook alleen met hun voor- of roepnaam vermeld
worden.
Wel zien we daar de "-ing" uitgang in namen van dorpen, zoals Livoreding-thorpa, Boing-thorpa en
Huninghova. Dus de personen werden niet en de dorpen wel met "-ing" aangeduid.
Hoe zit dat? Van deze "tweevormigheid" is in de Winterswijkse naamgeving zeldzaam genoeg nog een
brokstuk overgebleven. Een hele lijst van hoevenamen kunnen we opstellen, die hier in de volksmond nog
steeds zonder "-ink" gebezigd kunnen worden, als volgt:
| Persoonsnaam |
Buurtschap |
Hoevenaam (officiële naam) |
| Anneveld |
Kotten |
= Annevelink |
| De Bönneker |
Dorpbuurt |
= Bonnink |
| Boveld |
Woold |
= Bovelink |
| De Buiker |
Kotten |
= Boykink (Buitink) |
| De Deter |
Meddo |
= Dieterink |
| Elferd |
Woold |
= Elterdink |
| Garverd |
Meddo |
= Garverdink |
| Hilbeld |
Brinkheurne |
= Hilbelink |
| Leeferd |
Ratum |
= Leeferdink |
| De Menger |
Henxel |
= Menckwerdynck (in 1506) |
| De Meert |
Woold |
= Meerdink |
| Rauwerd |
Woold |
= Rauwerdink |
| Rennerd |
Huppel |
= Rennerdink |
| Roord |
Woold |
= Roerdink |
| Simmeld |
Meddo |
= Simmelink |
| Reuseld |
Kotten |
= Reuselink |
| Seibel |
Kotten |
= Siebelink |
| Steemerd |
Brinkheurne |
= Stemerdink |
| Tenk |
Ratum |
= Tenkink |
| De Ubbeker |
Dorpbuurt |
= Ubbink |
| De Vökker |
Kotten |
= Fökkink |
| De Wajjer |
Meddo |
= Waijerdink |
| Waomeld |
Dorpbuurt |
= Wamelink |
| De Wesselder |
Meddo |
= Wesselink |
| De Wieber |
Brinkheurne |
= Wieberdink |
| De Wigger |
Dorpbuurt |
= Wiggerink |
| Wilterd |
Kotten |
= Wilterdink |
| Zieverd |
Brinkheurne |
= Sieverdink |
| De Zikkerd |
Kotten en Corle |
= Sikkink |
Zijn er nog meer dan deze 29? Waar in Nederland of Duitsland kan dit namenjuweel worden geëvenaard? De
"-ink" vorming is hier nog bijna levend! Maar hoe komt dat, vraagt u zich af?
Het antwoord vinden we in enkele archaïsche naamvormen als Gorkengoet (1532), (nu Geur-kink),
Eesen-brink (nu Eesinkbrink), Beuzen-es (identiek met de naam Beusink) enScholten-enk. Evenals in de
behandelde namen Bovenhuis (naast Boefkinck), Rosenhuis (naast Roessink) en Luikenhuis (naast Loykink)
hebben we hier met de sterke tweede naamvalsverbuiging (op "-en") van persoonsnamen te doen, die later
in "-ink" veranderde. De betekenis was dus "van" en anders niets!
Wanneer een erve van eigenaar of bewoner wisselde kon het met de naam van de oude of de nieuwe eigenaar
aangeduid worden: in 1645 woonde Johan Hissinck (op Roessink) bij Zelhem; in 1660 heetten zijn zoons
Herman en Lubbert Roessinck, maar hun vader werd nog aangeduid als Johan Hissinck ofte Roessinck.
In later eeuwen noemde de bewoner zich naar het erve en gaf hij zijn eigen naam op, iets wat onofficieel nog
altijd gebeurt. In de Winterswijkse buurtschappen wordt Bertus te Selle uit Miste "Harmelink" genoemd,
Albert te Selle in Kotten heet ook "Den Vökker" en Erik te Selle wordt "Guldeman" genoemd. Allemaal dus
genoemd naar de erfnaam van hun boerderijen.
Zo heetten de voorouders van onze familie eerst Wiggers, een naam die nu nóg veel in de gemeente
Winterswijk voorkomt. Op het moment dat zij de bewoners worden van het erve 'De Selle' worden ze
"Selleman" ofwel "Te Selle" genoemd.
De invoering van de verplichte inschrijving voor de krijgsdienst - de conscriptie - door Napoleon veranderde
de naamgeving. De ingezetenen van Holland die nog geen geslachtsnaam voerden werd door het decreet van
Napoleon van 18 augustus 1811 aange-zegd om binnen de termijn van een jaar er een aan te nemen. Vaste,
erfelijke familienamen werden dus verplicht.
Toen na de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 iedereen een naam moest kiezen, wist menigeen niet
precies hoe hij heette, zodat soms beide namen geregistreerd werden. Daaraan danken we de dubbele namen
als Geerding Johannink, Vennegoor of Hesselink, Wissink ook Geerdink. Te Riet ook genaamd Scholten.
Men kon "of" ook wat chiquer in het Latijnse "sive" vertalen en zo ontstonden Ter Haar sive Droste,
Rengelink sive Röttgers. Lieden die dezelfde naam droegen konden onderscheiden worden door toevoeging
van "op" gevolgd door een erfnaam: Ensink op Kemna; Ensink op Reimer.
Gerrit Willem Bloemers die in 1846 naar Amerika emigreert met Janna te Selle krijgt bij zijn doop de naam
"Dijksbos" , de naam van de boerderij (Diekebos) waar hij is geboren. Als vaste familienamen worden
ingevoerd gaat hij zich (weer) Bloemers noemen naar de naam van zijn vader....
De namen die van plaatsnamen afstammen: te, ter, ten.
De familienamen die van plaatsnamen zijn afgeleid, waartoe in Oost-Nederland alle erfnamen behoren, kunnen
al of niet voorafgegaan worden door een voorzetsel, met of zonder lidwoord, of ze kunnen met 'man'
samengesteld zijn. Men kan dus Te Selle heten of bijvoorbeeld "Selleman" genoemd worden. Woonde men bij
een beek, dijk, een horst, of een veld dan heet men in West-Nederland van (der) Beek, van Dijk, Dijkman, van
der Horst, van der Velde, of in het Veld; in Oost-Nederland heet men dan ter Beke, Beekman, ten Dieke,
Diekman, ter Horst, Horstman of te(n) Velde, Veldman.
De voorzetsels te, ten en ter zijn ontstaan uit het Oud-Saksische to, tom en tor. (In Duitsland: zu, zum, zur).
De laatste twee zijn samengetrokken uit "to" en de verbogen lidwoorden "dem" en "der ". In enkele nog
bestaande familienamen zijn de oude vormen bewaard gebleven: to Bokholt, te(n) Bokkel, Thorbecke (ter
Beke), Thomberg (ten Berg), Tombrink (ten Brink); Tombroek (ten Broeke). Verschillende Te Selles
trouwden met een to Bosch ofwel een Toebes.
Doordat men de klemtoon meestal op de eerste lettergreep legt, zijn de namen soms moeilijk herkenbaar
geworden. Soms vinden we voor dezelfde naam de West- en Oost-Nederlandse wijze van aanduiding door
elkaar: Te Lintelo, naar de hof to Lintelo, naast van Lintel. In het eerste geval is het Oost-Nederlandse "te"
gecombineerd met de volledige naam van de hof, in het tweede het West-Nederlandse "van" met de lokale
uitspraakvorm van Lintel. Voor het oosten van Nederland zijn dus kenmerkend namen met de voorvoegsels
ten, ter en te.
Voor de Saksische streken in het algemeen zijn bovendien de tweelettergrepige namen op
-e kenmerkend, bijv.
Rogge, Rijke, Vinke, Witte. In de telefoongids van Winterswijk vindt men snel:
Te Beest, Te Bokkel, Te Bogt, Te Braake, Te Brinke, Te Brummelstroete, Te Kolsté, Te Giffel, Te Winkel,
Te Gronde, Te Grootenhuis, Te Hennepe, Te Hofstee, Te Koppele, Te Kortschot, Te Kronnie, Te Kulve, Te
Lindert, Te Lintum, Te Loo, Te Luke, Te Mebel, Te Molder, Te Morsche, Te Pas, Te Paske, Te Peele, Te
Plate, Te Poele, Te Riet, Te Roele, Te Roller, Te Selle, Te Siepe, Te Slippe, Te Strake, Te Vaarwerk, Te
Veele, Te Voortwis, Te Vruchte en Te Winkel.
Erve De Selle - Waar komt de naam vandaan?
Veel boerderijen ontleenden hun naam aan de ligging,
bodemgesteldheid en andere factoren. Waar komt nu de naam van boerderij De Selle
vandaan?
Algemeen wordt aanvaard dat sele-namen horen
bij de West-Germaanse stammen van de Chamaven en Saliërs die
oorspronkelijk het gebied bewoonden aan de rechteroever van de Rijn.
Naar de in later tijd (10e eeuw) voorkomende benaming Hamaland te
oordelen, zou dit het gebied geweest kunnen zijn tussen de IJssel en
de Lippe (o.a. Salland, de Gelderse Achterhoek en West-Overijssel).
De hierboven genoemde stammen behoorden tot het bondgenootschap der
Cheruscen (Cherusci) tegen de Romeinen. Zij betaalden de Romeinen
belasting in de vorm van koeienhuiden en moesten soldaten leveren
aan het Romeinse leger. In het begin van de derde eeuw na Chr.
verenigden zij zich met een aantal in het Rijnland wonende
West-Germaanse stammen, waaronder de Chatuari, Brukteren, Amsivari
en de Chatten (Chatti) in een nieuw bondgenootschap, dat sindsdien
wordt aangeduid met de verzamelnaam Salische Franken (Franci Salii).
De naam Franken betekent "moedig" of "stoutmoedig", de naam die
oorlogsbenden wel eens gebruikten om zichzelf te beschrijven. Deze
naam klinkt het geloofwaardigst voor wat betreft de oorsprong van de
Franken: het waren namelijk avonturiers die zich verenigd hadden om
de beneden Rijngrens van het Romeinse rijk aan te vallen. De
militaire kracht van de Franken ontwikkelde zich snel in de tweede
helft van de derde eeuw. Samen met de Alamannen en andere Germaanse
stammen begonnen zij tussen 250 en 275 volop het Romeinse rijk
binnen te vallen, waarbij in 274-275 Gallië werd platgewalst.
Daar de Franken zich na de ineenstorting van
het Romeinse Rijk ook gingen vestigen in Zuid-Nederland en in het
huidige België vinden we vooral daar nog veel plaatsnamen waarin het
woord sele voorkomt. Plaatsnamen als Broeksele (Brussel), Barsele
(Bazel) Melsele, Belsele, Elversele, Moorsel zijn meestal
samengesteld uit twee germaanse woorden, die in de samenstellingen
enigszins vervormd werden. Sali werd vervormd tot sela, sele en
selle.
Over de betekenis van dit woord zijn de
taalgeleerden het vrijwel eens. Volgens J. Vercoullie betekent sele
of selle "een ruim vertrek dat een heel gebouw uitmaakt en dat
naar gelang van de omstandigheden of als gemeenschappelijke eetzaal
of als slaaplokaal of nog als schuur dienst kan doen".
Daarom ook schrijft de Vlaamse taalkundige M. Gijsseling dat sali
misschien prima te omschrijven is als een "uit slechts één
ruimte bestaande huizing voor mens en vee". En dat is nu
precies hetgeen we in Oost-Nederland verstaan onder een "los hoes".2
Zoals hierboven al opgemerkt komt sele ook
veel voor in samenstellingen. In 1156 heette het dorp Bazel in
België nog Barsela. In de dertiende eeuw schreef men Barsele en
éénmaal Baessele. Bara, het eerste lid waarmee Barsela is
samengesteld betekent bar bloot, woest. We vinden het woord nog
terug in ons tegenwoordige "barrevoets". In de samenstelling met
sali wijst bara dus op de gesteldheid van de bodem waarop het huis
stond. De hele verklaring van Barsele luidt derhalve: een huis dat
uit slechts één ruimte bestaat en dat gebouwd is op barre,
onvruchtbare grond.
Broek betekent malse weide, op de
aanslibbingsgrond naast een waterloop. Deze gronden waren de beste
weiden, waar de boeren bij voorkeur hun koeien op lieten grazen. Zo
is de naam Brussel ontstaan als "broek-seele". Sele of zaal is dus
"gebouw" op het broek.
Zo kennen we ook nog de familienaam Van
Moorsel: mor betekent drassige grond en sele weer woning.
Tot slot valt nog te vermelden dat niet alleen
de gemeente Winterswijk een boerderij genaamd De Selle kent. Ook
bestaat er nog in Ellecom - gemeente Rheden - een boerderij De Selle
die in de achttiende eeuw bekend stond als "Hofstede in de Selle".
Hoe wordt de naam Te Selle geschreven?
- In het Nederlands krijgen landen (en afleidingen daarvan), talen, plaatsen, sommige begrippen en
persoonsnamen een hoofdletter: Noord-Holland (Noord-Hollands), Duits, Winterswijk, Tweede
Wereldoorlog, Jan van den Berg.
- Ook het voorzetsel van een naam, zoals in Te Selle, wordt met een hoofdletter geschreven wanneer de
naam niet vooraf wordt gegaan door een voorletter of een voornaam. De naam en voorletters moeten ook
bij elkaar gehouden worden op één regel.
- Tussen het voorzetsel van een achternaam en de eigenlijke achternaam wordt een spatie geplaatst.
- Als de uitspraak van het woord er niet door verandert moet in het meervoud de letter 's' verbonden worden
met het voorafgaande woord.
U zult in deze teksten dus zien:
Harmen Jan te Selle emigreert naar Amerika.
H.J. te Selle emigreert naar Amerika.
De heer Te Selle emigreert naar Amerika.
De broers Te Selle emigreren naar Amerika.
De Te Selles emigreren naar Amerika.
In Amerika wordt door de huidige Te Selles de spatie tussen voorzetsel en achternaam meestal weggelaten
("TeSelle").
Desondanks wordt vaak de hoofdletter 'S' gehandhaafd: Harmen Jan TeSelle.
Waarover hebben we nu vrij veel zekerheid?
- De boerderijnamen 'De Selle' en 'Wiggers' zijn erg oud en worden al vermeld in het verpondingskohier van
1648. De beide boerderijen zijn gelegen in de buurtschap Woold van de gemeente Winterswijk.
- De mensen die op 'De Selle' woonden werden Te Selle genoemd en de mensen op 'Wiggers' werden
Wiggers genoemd naar de naam van hun boerderij.
- Rond 1712 komt Harmen Wiggers op 'De Selle' te wonen en wordt hij Harmen te Selle genoemd. Ook zijn
kinderen gaan Te Selle heten. De mensen die al op 'De Selle' woonden vóór 1700 en toen dus ook Te Selle
heetten kregen later weer andere familienamen. Tot op heden zijn ze niet aantoonbaar verwant aan de Te
Selles van nu.
- De naam Te Selle wordt een officiële familienaam na de invoering van de Burgerlijke Stand in de periode
dat Nederland door Napoleon was ingelijfd (1810-1813) en deel uitmaakte van het Franse keizerrijk.
- De familienaam Te Selle is afkomstig van de
naam van hun boerderij. Het woord Selle komt uit de taal van de
West-Germanen. Sali, hun woord voor woning, evolueerde in de loop der tijd
tot sela, sele en selle en betekende "een behuizing voor mens en dier die
uit één ruimte bestaat".
- Onze familienaam is typisch voor de Achterhoek en zelfs
typisch Winterswijks. Nergens in Nederland of in Amerika zijn we tot op heden mensen tegengekomen met
dezelfde familienaam die niet in onze familiestamboom terug te vinden zijn.
1
B, Stegeman. 'Het oude kerspel Winterswijk', herdruk
1966, biz 35v.
(Terugkeer naar Tekst)
2
Het
'los hoes' is een boerderijtype dat veel in de Gelderse Achterhoek
voorkwam. Het is een boerderijtype met een steil pannendak en een
gedeeltelijk houten gevel. De woning en de schuur vormden
oorspronkelijk één grote ruimte (los = open). De hoge puntgevel
werd bekroond met een gevelteken met symbool (waarvan het teken van
de twee paardenkoppen 'Horsa en Hengest' het bekendste is). Aan het
gevelteken was ook vaak de godsdienst van de toenmalige boer af te
lezen: een kruis, miskelk of hostie voor de katholieke boeren en een
haan of een zonnerad voor de protestanten. Het oorspronkelijke los
hoes - van materialen uit de omgeving zonder spijkers gebouwd - is
vrijwel verdwenen. (Terugkeer naar Tekst)
|