4. De Winterswijkse Scholten
Als je enigszins de omstandigheden wilt schetsen waarin de leden van de familie Te Selle in de 18e en 19e
eeuw verkeerden dan is het nodig wat te zeggen over de situatie en het dagelijks leven van de Winterswijkse
boeren.
De eerste Te Selles die we kennen zijn allemaal landbouwers. Op zich niets bijzonders als je weet dat in de 19e
eeuw de landbouw voor de meeste Nederlanders nog het hoofdmiddel van bestaan was. Wat wél bijzonder is,
was dat de omstandigheden waaronder de Winterswijkse boeren moesten leven en werken nogal verschilden
van de leefomstandigheden in de rest van Nederland. Het Winterswijkse platteland was voor een belangrijk
deel in het bezit van een groep herenboeren, zogenaamde Scholten, de grote machthebbers in het buitengebied.
De geschiedenis van deze merkwaardige Winterswijkse agrarische elite (ongeveer 20 families) is nogal
bijzonder en is zelfs tot in de Middeleeuwen terug te volgen.
In de vroege Middeleeuwen duidde men met de titel "Scholte" (Schulte, Schultze, Schultheisz) de bestuurders
aan van grote "feodale" hoven in Oost-Gelderland en Westfalen. Eeuwen later ging in de oostelijke Achterhoek
(regio Winterswijk) deze naam over op een categorie horigen. Letterlijk betekende dit woord: 'mensen die bij
de grond hoorden'. Ze konden bij wisseling van de macht met de grond meeverkocht worden.
De macht berustte in Winterswijk bij de Heren van Bredevoort, de Graven van Gelre en Westfaalse en
Munsterse kloosters. Deze machthebbers stelden een aantal horige bewoners van hun hoofdhof aan om hun
intussen in aantal toegenomen, maar kleinere hofgoederen, een stuk of twintig, te beheren. Deze geleidelijk
met Scholten of Scholteboeren aangeduide groep herenboeren wist vooral na 1600 haar positie te verstevigen.
Aankoop van nieuwe gronden en het gaan verhandelen van graan en linnen waren er onder meer voor
verantwoordelijk dat de Scholten, qua macht en invloed in de plaatselijke samenleving, steeds meer de positie
van hun veelal absente heer - na 1600 het Huis van Oranje - innamen. De Oranjes bekommerden zich echter
nauwelijks om het wat achteraf gelegen Ambt Bredevoort. Waarschijnlijk zagen ze het als een arm en achterlijk
land waar maar weinig voordeel te behalen was.
In 1882 karakteriseert een reislustige dominee Craandijkč het Ambt Bredevoort dan ook als volgt:
"Gelegen op de grenzen des rijks, ver van alle grote steden verwijderd en vooral vroeger door onafzienbare
heidevelden en veenen van de brandpunten van beschaving en verkeer gescheiden, was het 'vleck' met zijn
boschrijken omtrek dan ook eeuwenlang afgezonderd, een kleine wereld op zichzelve, ....met de grote
menschenmaatschappij weinig in aanraking."
Het feit dat het Ambt Bredevoort steeds meer in de vergetelheid raakt betekende echter niet dat alles nu maar
bij het oude bleef in deze 'Achterhoek'. Juist deze 'politieke' verwaarlozing door de machthebbers op hoger
niveau maakte het mogelijk dat de groep hoofdhofbewoners de kans kreeg zich op te werken tot een stand van
aanzienlijke herenboeren. Zij namen daarbij geleidelijk de naam Scholte(n) aan. Het woord heeft altijd al sinds
zijn ontstaan in de Middeleeuwen een duidelijk status- en machtsverschil uitgedrukt.
Deze opwaartse ontwikkeling kreeg zijn formele beslag met de afschaffing van de horigheid ten tijde van de
Bataafse Republiek, waarbij de Scholten er in slaagden de oude hofgoederen ook juridisch in eigendom te
verkrijgen.
Tussen omstreeks 1800 en 1860 - de periode dat de Te Selles over emigratie naar de Verenigde Staten
nadachten - bereikten de Scholten het toppunt van hun macht en welvaart. Bij de markeverdeling sleepten ze
het grootste deel van de voorheen gemeenschappelijk beheerde woeste gronden in de wacht. Een twintigtal
Scholtenfamilies bezat toen duizenden hectares grond en honderden pachtboeren waren met handen en voeten
gebonden aan deze ongetitelde landadel.
Geen wonder dus dat Dela te Selle voor zichzelf en haar zeven zonen koos voor een pachtboerderij die
toebehoorde aan iemand die géén Scholte was. Door hun grote macht en rijkdommen ontwikkelden de
Scholten een levensstijl als "grand seigneur". Hun pachters en knechten betaalden het gelag. En als iets ook
heeft meegeholpen in het Winterswijkse de emigratie naar Amerika te bevorderen dan is het ook wel de afkeer
geweest van de zware pachtverplichtingen.
De relatie tussen pachter en Scholte werd gedeeltelijk - met name het deel dat betrekking had op het
grondgebruik - vastgelegd in schriftelijke pachtcontracten. De meeste daarvan hadden maar een korte looptijd,
meestal maar van één à twee jaar; wel werden ze meestal stilzwijgend verlengd en gingen ze over van vader op
zoon. De Te Selles woonden tenslotte ook zeer lang op het erve 'de Selle'. De zeldzame gevallen dat een
pachtovereenkomst niet werd verlengd en de pachter met 'Sunte Peter' (22 februari) zijn erf moest verlaten,
hielden de herinnering levend dat het bewonen van een pachtersbedrijfje geen recht was maar een gunst.
De verplichtingen voor de pachter waren zwaar, zoals blijkt uit een pachtcontract tussen Scholte Willem te
Lintum op Meerdink en Berend Meerdink-Veldboom, die in 1821 een pachtcontract opmaakten voor de
katerstede 'Meerdink-Veldboom'. (Berend wordt weer genoemd naar zijn boerderij.) De katerstede
Meerdink-Veldboom werd voor drie jaar verhuurd, vanaf 1821. Het was voor beide partijen mogelijk het
contract op te zeggen, mits dat een half jaar van tevoren gebeurde. De onderwoner (pachter) diende de
volgende prestaties te leveren: een jaargeld van 12 gulden (veelal de huur van de boerderij of het huis)
20'helpedagen' (de man tien, de vrouw tien), "te voldoen wanneer het den verhuurder verkiest"; "de pachter
dient alle "landslasten (verpondingen - een soort onroerend goedbelasting) van landerijen en gebouwen te
restitueren"; de pachter moet het bouwland goed bemesten en zal "om de derde garve het koren niet mogen
inhalen" (het share-cropping ofdeelbouwsysteem dus, waarbij steeds ruim 30% van de opbrengst voor de
Scholte was). Verder moet de pachter de derde garve ten huize van de verpachter afleveren, alwaar het "ten
zijnen koste gedorst" moet worden. De pachter mag "geen stroo, mest of brand verkopen, noch plaggen steken
van bouwland". Ook houtkappen is verboden. Wanneer een pachter een en ander niet kan voldoen, staan de
vruchten der landerijen ter dispositie van de verpachter". Zonder uitdrukkelijk verzoek tot beëindiging van de
overeenkomst werd het pachtcontract iedere drie jaar stilzwijgend verlengd...
De 'helpedagen' die voldaan dienden te worden wanneer de verpachter het verkoos, werden meestal voldaan in
de oogsttijd. Veel Scholtenhoven hadden daartoe een bel of klok in de nok van het huis; wanneer deze luidde
moesten de onderwoners hun eigen werkzaamheden staken en naar de Scholtenhof komen. Deze bel heette
dan ook beeldend de "groewelbelle" (gruwelbel) in de pachtersmond. Een deel van de vrouwelijke helpedagen
werd besteed aan het weven en spinnen op de Scholtenhoven, waarbij de pachtersvrouwen hun eigen
spinnewielen meebrachten. Daarnaast moest de pachter vaak een paar dagen per week tegen een geringe
vergoeding op de Scholtenhof komen werken. In de meeste pachtcontracten was niet opgenomen de
vanzelfsprekende gewoonte dat een pachterskind, wanneer het eenmaal de juiste leeftijd had, als "kleine meid"
of "kleine knecht" diende te gaan werken op de Scholtenhof. Alternatieven voor pachterskinderen waren er
weinig; voor het pachtersgezin betekende het in ieder geval ontlasting van kost en inwoning; voor de Scholte
weer extra goedkope arbeidskrachten.
Naarmate de Scholten machtiger en rijker worden gaan ze zich ook steeds meer als een aparte groep grote
heren gedragen. Ze trouwen steeds meer onderling, want de grond moet bij elkaar blijven en ze gaan zich ook
bezig houden met typisch landadellijke bezigheden als de jacht en de bosbouw.
Tegelijkertijd komen er steeds meer morele en ceremoniële verplichtingen voor de pachters. Zo werd het de
gewoonte dat een pachterskind dat wilde trouwen de goedkeuring van zijn of haar heerschaop daarvoor vroeg.
Bij voltrekking van het huwelijk werd aan de Scholte een hoed aangeboden en aan de Scholtinne een japon.
Omgekeerd werd van de Scholtinne verwacht dat zij de jonggehuwden een cadeau gaf. Als ze tevens de
officiële pachters werden, schonk de Scholte hen soms, in samenwerking met andere buurtbewoners, een kar
met mest om de welwillendheid te accentueren. Ook de jaarlijkse gift van hoenders aan de Scholte en het
brengen van paaseieren behoorden bij het ritueel tussen de Scholte en zijn 'onderwoner'. Toch viel het met dit
aristocratische gedrag van de Scholten rond 1850 nog wel mee. De aristocratische schrijver J.A. Klokman
bracht omstreeks die tijd een bezoek aan het Scholtengoed Leessink. Voor Klokman, typisch nog een
vertegenwoordiger van het alweer bijna voorbije romantische tijdperk dat het eenvoudige plattelandsleven
verheerlijkte, was Scholte Leessink nog een boer, eenvoudig behuisd, sober levend, wars van grote uiterlijke
sier.
Na 1850 raakten de Scholten door veel verschillende ontwikkelingen, bijvoorbeeld het wegvallen van allerlei
handelsactiviteiten, in een sociaal en cultureel isolement. Maar terwijl hun macht afnam stortten hun
nakomelingen zich steeds meer op uiterlijk vertoon en bleven ze sterker dan ooit vasthouden aan traditie. "De
Scholteneer schrif veur.." werd een bekende uitdrukking. De Scholteneer schreef voor.. dat het bosbezit koste
wat kost op peil moet worden gehouden, dat niets van het grondbezit mag worden verkocht, dat huwelijk met
een niet-Scholte schande is.
De Scholteneer leidde tot nutteloze statusnajagerij en "luxe" gewoonten. Bekend zijn in dit verband de groots
opgezette, geldverslindende Scholtenbruiloften of Scholtenbals en de bouw van de grote vierkante
Scholtenvilla's in het laatst van de 19e en begin 20e eeuw. Dan vindt er werkelijk een explosie plaats in de
bouw van zeer luxueuze villa's bij de Scholtengoederen. Uit deze tijd stammen de bekende vierkante
Scholtenhuizen met meer dan één verdieping, die nu nog steeds opvallen in het landschap van Winterswijk dat
overheerst wordt door de zogenaamd "Saksische" bouw. Bekijk daarvoor ook eens de foto's van het oude
"Fökkink"! Er ontstond een grote wedijver tussen de verschillende Scholtenfamilies wie de fraaiste en grootste
villa's kon neerzetten. De grootte van de villa werd afgemeten aan het aantal ramen. Soms kon de competitie
tussen de Scholten zelfs zo hoog oplopen dat soms "loze" ramen in de machtige voorgevels werden gebouwd.
Op het gebied van de landbouw hielden de Scholten nog heel erg lang vast aan de - onrendabel geworden -
bosbouw en aan de roggeteelt. Omschakeling naar de (melk) veeteelt gebeurde slechts heel laat en langzaam.
Voorzover ze al meer vee gingen houden, toonden ze zich geen geweldige veetelers. Ex-knechten op
Scholtenbedrijven konden daar fraaie staaltjes van vertellen. Rond 1930 nog zwoer Scholte Mensink op
Wissink bij het ouderwetse 'kali en slakkenmeel' - één keer per jaar - op het weiland, terwijl er een overvloed
was aan goedkope, moderne, gemengde stikstofhoudende kunstmeststoffen. Vooral stikstof zorgt - in
combinatie met een juiste verhouding tot andere elementen - voor een hoge grasopbrengst. In het algemeen
waren de Scholten trouwens bevreesd voor het toepassen van stikstofhoudende kunstmeststoffen, want het
zou "de grond uitputten".
Een mooie anekdote doet hierover de ronde. Scholte Hendrik Christiaan Roosen op Meenk had de gewoonte
alleen maar 'slakkenmeel', een afvalproduct van de hoogovens bij de ijzerwinning, met guano, één van de
oudste minerale meststoffen, te strooien als bemesting. Toen na de Tweede Wereldoorlog het bedrijf uit arren
moede werd verpacht aan een moderne boer uit het noorden, kwamen er plotseling fabelachtige opbrengsten.
Die waren het gevolg van de onvoorziene combinatie van een zeer hoog ijzer- en fosfaatgehalte in de grond
met de stikstof die deze noorderling wél strooide...
In het algemeen voerden de Scholten hun melkvee alleen bij met 'rogge en haver'; moderne, gemengde
meelsoorten werden niet toegepast. Het gevolg was dat de melkproductie abominabel laag was. "Als je van
een nieuwmelkte koe een halve emmer melk had was dat veel" aldus een ex-knecht op Wissink. Ironisch
genoeg zou men tegenwoordig deze Scholten ten tonele kunnen voeren als moderne biologisch-dynamische
landbouwers. Onder "bewuste consumenten" zouden een heleboel grage afnemers van hun producten te vinden
zijn.
1.
Dominee Jacobus Craandijk (1834 - 1912) schreef tussen 1875 en 1884 Wandelingen door Nederland. In
zijn tijd was Craandijk, die in Rotterdam op de kansel stond, een gevierd auteur. Zijn zevendelige serie
wandelboeken werd meer dan eens herdrukt. Kennelijk herkenden de lezers de nostalgische blik waarmee de
dominee om zich heen keek. Ja, de drijfveer achter zijn tochten was juist het gevoel dat er steeds meer moois
verloren ging. Met zijn boeken wilde hij een monument oprichten voor "verdwijnend Nederland", zoals hij in
de inleiding schrijft. Zo schrijft hij over de Berkel in de Achterhoek: "minacht de Berkel niet! In hare
eenvoudigheid is zij een zegen voor het gewest, waarvan zij een der sieraden is. Voor den Mississippi zou de
graafschap te klein zijn; voor de Berkel heeft zij ruimte genoeg".
|