Een Te Selle op De Olliemölle
|

Thea Loonen -
te Selle
(1927 -- ) |
Bron: Dirk
Willem te Selle (Enschede, NL) in gesprek met Thea Loonen - te
Selle,
Maart 2005
Eén van de leukste plekken van Winterswijk is ongetwijfeld
de oude watermolen van Den Helder aan de Slingebeek. De omgeving van de Slinge
is een beeklandschap. Het kronkelende riviertje heeft door de eeuwen heen
regelmatig haar loop veranderd, maar dit is niet van invloed geweest op het
bestaan van de molen, want die staat er al sinds 1300. Al in 1303 werd de
watermolen genoemd als behorende tot "De havesaet Pleckenpol". Ridder Sweder van
Ringenberg gaf toen de havezate in achterleen uit aan Alexander van Creyter "met
den meul en alle de haren togehorigen stucken".
Van de oude raderen en maalbedrijven is nu niets meer te zien, maar aan het
begin van de 20e eeuw waren ze nog wel degelijk aanwezig, zoals te zien is op de
onderstaande foto’s.
|

Ansichtkaart uit circa 1915
De zwemmers zijn al afgeschermd
van het publiek |

Situatie tot ongeveer 1925
|
De watermolen bestond vroeger uit twee delen,
namelijk een koren- en een oliemolen. Op veel plaatsen in de
Gelderse Achterhoek en in Twente kun je deze dubbelfunctie van de
watermolens tegenkomen. In de oliemolens werd olie gewonnen uit
lijnzaad, raapzaad, koolzaad en huttentut. De olie van deze laatste
plant rook echter vies en werd dan ook alleen gebruikt als
lampenolie en voor het onderhoud van leer. De uitgeperste
lijnzaadkoeken waren nog een prima veevoer. De korenmolen heeft
vooral rogge, haver en tarwe gemalen.
De watermolen "Den Helder" heeft in de loop der eeuwen veel
verschillende eigenaren gekend. Zo was aan het eind van de 19e eeuw
de molen in eigendom van Jan Helder en sindsdien heeft ze de naam
"Den Helder". Na Helders dood hertrouwde zijn weduwe in 1897 met
Barend Gerhard Heusinkveld. Barend bezat zelf de windmolen Fortuna
aan de Misterweg in Winterswijk en liet het werk op de watermolen
over aan een familielid. Later ging hij tot verkoop over.
Op 7 juni 1922 werd door notaris Jan Berend Roelvink bij dezelfde
gelegenheid waarop het bier- en koffiehuis Den Helder was verkocht,
ook de Plekenpolsche of Keupenwatermolen van Barend Gerhard
Heusinkveld geveild en voor 5.200,00 gulden verkocht aan Derk Jan
Berenschot, eigenaar van de verder stroomafwaarts gelegen "Nieuwe
Molen".
Hiermee heeft Derk Jan heel handig een concurrent uitgeschakeld en
heeft nooit meer met de Plekenpolse molens gewerkt.
Tussen de families Te Selle en Berenschot bestonden innige relaties.
Jan Albert te Selle op boerderij "Fökkink" trouwde in 1884 met
Willemina Berenschot, die afkomstig was van "Nieuwmolen" en broer
Derk Willem trouwde in 1885, één dag voor Kerstmis, met haar zuster
Theodora.
Toen Derk Willem 14 dagen later plotseling
overleed was de baby al een paar maanden onderweg. Dina Willemina
wordt in mei 1886 ook op "Nieuwmolen" geboren. Vervolgens hertrouwt
Theodora. Opnieuw met een Te Selle en wel met broer Bertus Jacobus.
Vier kinderen worden er nog geboren. De eerste is mijn grootvader en
de jongste is Thea’s vader. Waar wij onze voornamen aan te danken
hebben is nu volstrekt duidelijk.
Derk Jan Berenschot verkoopt nu de watermolen in twee gedeelten. De
korenmolen is eerst nog in gebruik bij Heusinkveld en de oliemolen
wordt in 1923 verkocht aan zijn jonge neef Johan Christiaan te Selle
en Geertruida Johanna te Selle-van Eerden, de ouders van Thea.
|

Johan Christiaan te Selle
(1899 - 1970) |

Geertruida te Selle van Eerden
(1899 - 1991) |
Johan en Geertruida op jonge
leeftijd. |
Op 26 augustus 1927 verkoopt Derk Jan
Berenschot ook de korenmolen. Bertus Wassink wordt voor een bedrag
van 5.000 gulden de nieuwe eigenaar. Het gekochte kan op 1 januari
1928 worden aanvaard. Een van de voorwaarden bij de koop was dat de
bestaande wegen gebruikt mochten blijven worden door de
achterliggende bewoners. Bovendien was duidelijk in de
koopovereenkomst met Wassink opgenomen dat op het gekochte een
maalverbod gevestigd was, zodat de molen niet voor graanmalerij
gebruikt mocht worden.
Johan te Selle had geen recht van overpad over
de brug en had daar nog wel eens onenigheid over met Wassink. Jan
Bertus Wassink verkocht echter al in december 1929 het huis met café
Den Helder, de watermolen met stuwrecht, de grond achter het huis en
aan de beek en de weg ter breedte van vijf meter naar de Wooldschen
grintweg, alsmede tuin en weide over de beek, samen 1.10.60 ha, aan
Wilhelmus Petrus Bausch.
Toen Bausch er eenmaal was, sloten deze en
Johan te Selle een overeenkomst over het recht van overpad. Vóór die
tijd moest Johan zich een uitweg langs de Slinge en Schot Schepers
creëren. Eind jaren twintig verdween al het waterrad van de
oliemolen, in de jaren dertig ook dat van de korenmolen.
De korenmolen
Ten tijde van de komst van Wilhelm Bausch was het molenrad van de
korenmolen nog intact. Hij vatte het plan op om met waterkracht in
de eigen elektriciteitsbehoefte te voorzien.. Na de herbouw van het
huis in 1934 liet hij een dynamo in de molen plaatsen, die hij bij
de voormalige Zuiderzeewerken had gekocht. Het nieuwe
hotel-restaurant zou zelfs elektrisch kunnen worden verwarmd. helaas
beschikte Bausch niet over de mogelijkheid om de opgewekte
elektriciteit op te slaan en bovendien bleek de stroomsoort niet
geschikt voor huishoudelijk gebruik. Herhaaldelijk sloegen de
stoppen door. Op zomeravonden zorgde deze privé
elektriciteitscentrale echter voor een sfeervolle verlichting van de
overtuin.
Bij het herstel van de watermolen na de Tweede
Wereldoorlog werden molenraden dynamo verwijderd.
De "Olliemölle"
Midden jaren twintig, dus al lang vóór de Tweede Wereldoorlog was
het zuidelijke gedeelte van "Den Helder", de oude oliemolen, in het
bezit gekomen van Johan en Trui te Selle. Op 9 augustus 1925 wordt
daar hun zoon Bertus Jacobus geboren. Johan is evenals zijn broer
Derk Willem timmerman en aannemer. Hij gaat op de oude molen aan de
slag en richt er zijn timmermanswerkplaats in.
|

Johan, Bertus, Thea, and
Geertruida te Selle
November 11, 1935 |
Dochter Thea heeft nog goede herinneringen aan
de molen en het huis. Ze is er ook geboren en heeft er haar hele
jeugd gewoond samen met haar ouders en haar broer Bertus. Hoewel
niet rijk, is Johan toch in de gelegenheid de molen van zijn oom te
kopen. Misschien zal de molen toen ook niet zoveel gekost hebben
want de molen was al niet meer in bedrijf. Graan werd er niet meer
gemalen en ook de oliemolen werd niet meer gebruikt, hoewel de
raderen nog wel draaiden. Voornaamste reden voor oom Derk Jan
Berenschot om de molen te kopen was immers het uitschakelen van een
concurrent. Johan heeft volgens Thea wel de mogelijkheid gehad om
ook de graanmolen te kopen, maar hij heeft daar geen belangstelling
voor. Hij heeft slechts ruimte nodig om te wonen en om er zijn
werkplaatsen in te richten.
Thea zegt: "ja dat molentje was in het begin
natuurlijk helemaal niks hč. Degene die er wat van gemaakt heeft was
mijn vader." Vader Johan neemt zijn deel van de molen grondig
onder handen en bouwt en verbouwt molen en woonhuis dat het een
lieve lust is en moeder Trui ziet dat de plek mogelijkheden biedt:
de grote kolk achter de watermolen wordt het eerste Winterswijkse
zwembad en haar man de eerste badmeester.
De molenkolk als zwembad
|

Watermolen Den Helder
Bij de molenkolk staat al een duiktoren. |
Al aan het eind van de negentiende eeuw werd de gemeente Winterswijk
verzocht een badhuis te stichten. Dat verrees in 1897 aan de
Badhuissteeg (een zijstraatje van de Spoorstraat) en werd door
particulieren geëxploiteerd. Omstreeks 1907 ging de belangstelling
voor dit badhuis verminderen, o.a. als gevolg van de stijgende
kosten. Veel Winterswijkers gingen liever verfrissing zoeken in het
beekwater van de Slinge. Op 18 april 1910 werd voor 50 gulden door
de gemeente een perceel grond van 250 m˛ van molenaar Barend Gerhard
Heusinkveld gekocht. Dit stuk grond lag aan de molenkolk bij
watermolen Den Helder. De gemeente dacht dat hier een - zij het
primitieve - zwemgelegenheid was te creëren. Waterverversing was
natuurlijk geen probleem, daar zorgde het stromende beekwater wel
voor. De molenkolk was vanuit het dorp te voet binnen een half
uurtje te bereiken
In 1911 was er al een zwemvereniging, de WZV - Winterswijksche
Zwemvereeniging. Deze plaatste langs de kolk enkele badhokjes. Ook
werd de molenkolk door een schutting tegen nieuwsgierige kijkers
beschermd.
Omdat het bad alleen voor leden van de WZV
toegankelijk was, probeerde een aantal ingezetenen in 1913 de
gemeente te bewegen er een gemeentelijke zweminrichting van te
maken. Dit werd door de gemeente van de hand gewezen, mede met het
oog op de geringe capaciteit van de kolk.
Een overeenkomstig verzoek werd op 5 juni 1914
door het raadslid J. Willink ingediend. Willink stelde tevens voor
een gemeentelijke subsidie te geven, opdat het bad meer opengesteld
kon worden. Ook gaf hij de suggestie het oppervlak uit te breiden.
De gedachte om tot een gemeentelijke exploitatie te komen, werd door
de raad verworpen, omdat dit te hoge kosten zou betekenen. Wel werd
op de raadsvergadering van 29 oktober 1914 tot een subsidie van 60
gulden besloten. Dit geschiedde op voorwaarde, dat ook niet-leden
van de inrichting gebruik zouden mogen maken.
In 1915 achtte het gemeentebestuur het
wenselijk een commissie te benoemen, die de opdracht kreeg naar
geschikt water te zoeken. In deze commissie werden de heren A.Th.
ten Houten, J. Willink en G.J.H. Beernink benoemd. Er kwamen drie
plannen op tafel.
Het eerste omvatte het plan om stroomopwaarts
van Den Helder een zwemgelegenheid te maken, dit met het oog op de
omstandigheid, dat de exportslachterij Zwanenberg haar afvalwater in
de beek loosde. Het reservoir van de Pulsometer van de HYSM zou in
een bad- en zweminrichting kunnen worden veranderd. De HYSM wilde
haar medewerking echter niet verlenen, zodat van dit plan moest
worden afgezien.
Bij het tweede plan had men een stuk
heidegrond op het oog, dat langs de beek lag, vlak bij het bruggetje
aan het binnenpad naar kwekerij Veldzicht in Kotten. De kosten voor
verwerving van de grond en uitgraving čn het probleem dat het
stilstaand water in de zomer niet ververst zou kunnen worden,
zorgden ervoor dat de commissie het niet waarschijnlijk achtte, dat
de raad haar goedkeuring er aan zou geven.
Het derde plan lag misschien het meest voor de
hand: aanpassing van de zwemgelegenheid bij Den Helder. Hiertoe
werden enkele suggesties gedaan, maar de raad vond het rapport te
vaag en besloot de commissie te vragen om de plannen verder uit te
werken.
Hoewel bij Den Helder enkele verbeteringen
werden aan-gebracht, bleef het toch een tamelijk primitieve
inrichting. Er werden door de raad nog enkele keren aan de
zwemvereniging subsidies verleend, maar er bleef onvoldoende
kleedgelegenheid en het toezicht op de baders werd als ontoereikend
beschouwd. De belangstelling van de zwemmers daalde sterk en in 1922
ging de vereniging ter ziele.
 |
 |
Ein zwemmer met op de
achtergrond
de korenmolen |
De badhokjes van de WZV
zijn goed te zien |
Nadat Johan te Selle de korenmolen had gekocht
bracht hij echter tal van verbeteringen aan en geleidelijk ontstond
toen in de kolk achter de stuw zelfs een "echt" zwembad met steiger
en een duikplank. Zelf was hij de badmeester. Ook liet hij o.a. de
Bocholter Wassersportverein eens naar Winterswijk komen om
demonstraties te geven. Dit leidde in 1927 tot de oprichting van de
Winterswijkse Watersportvereniging.
 |
In de molenkolk worden heuse
zwemwedstrijden gehouden die flink wat publiek trekken. |
 |
Het nieuwe
openluchtzwembad van Winterswijk werd in 1933 als
werkverschaffingsproject aangelegd.
|
Toen in 1933 het nieuwe
openluchtzwembad werd geopend, verloor de molenkolk zijn functie als
plaats waar men ging zwemmen. De inspanningen van Johan te Selle
werden niet vergeten: in het paviljoen van het nieuwe zwembad kreeg
hij de verkoop van etenswaren toegewezen en op het zandstrand
beheerde hij een houten gebouwtje waar snoepgoed en ijs werd
verkocht.
|
Onderzoeker Walter Knoop brengt voor de stichting WCL
het buiten-gebied van Winterswijk in kaart. Het gaat hem
niet alleen om de natuur, of de landbouw, maar om de
relatie tussen het landschap en de gebouwen daarin. En
vooral om de mensen die in dat buitengebied "gewoond,
gewerkt en geploeterd hebben."
Op zijn fietstochten rond Winterswijk
verzamelde hij een groot aantal wetenswaardigheden,
bijvoorbeeld over de omgeving van de Slinge.
Door WALTER KNOOP
Buiten de bebouwde kom van
Winterswijk, even ten zuiden van de spoorlijn naar
Doetinchem en Arnhem, kruist de Wooldseweg de Slinge. 's
Zomers, wanneer het water van de beek laag staat, hippen
gele kwikstaarten over de keien langs de uitgesleten
oevers. Staande op de Graasbrug zijn in stroomopwaartse
richting twee opmerkelijke gebouwtjes zichtbaar,
waartussen het opgestuwde water van de Slinge omlaag
ruist.
Het meest rechts gelegen
witgeschilderde pand is verbouwd tot woonhuis. Het is de
voormalige oliemolen, waarin destijds de befaamde
ijssalon van Te Selle was gevestigd. Achter Te Selle
bevonden zich leuke vrijerslaantjes rond Schot Schepers,
waar het weinig moeite kostte voor korte of langere tijd
zoek te raken.
Te Selle bezat een mooie dochter die
de ijssalon de nodige klandizie opleverde. Door haar te
worden bediend was op zich al een traktatie.
De geschiedenis van het gebruik van
het water uit de beek
In het andere, roodgeschilderde
gebouwtje, was vroeger een korenmolen gevestigd. In het
uiterlijk van de beide voormalige molens is in de
periode tussen de beide wereldoorlogen nogal wat
veranderd. Beide molens werden buiten bedrijf gesteld en
de schepraderen verwijderd. De oliemolen bezat een
verticaal lopende planken bekleding die werd vervangen
door stenen muren. De spitsboogvormige vensters die nog
zichtbaar zijn in de voormalige korenmolen, dateren ook
uit die periode. |
Als gevolg van Johan's
bouwactiviteiten kreeg de ene helft van de molen wel een heel ander
aanzien dan de andere helft waar hij niet de eigenaar van was.
Waarschijnlijk zou hij tegenwoordig niet meer de ruimte gekregen
hebben om de molen zo’n grondige gedaanteverwisseling te laten
ondergaan, maar toen werd er geen bezwaar gemaakt.
Aan de voorkant zette hij er grote ramen in en aan de kant van de
molenkolk plaatste hij zelfs ramen met spitsbogen. Ze hadden zelfs
wel iets weg van kerkramen.
Thea kan zich de oorspronkelijke situatie van de molen nog heel goed
herinneren en weet ook dat haar vader er veel aan werkte. Vader
Johan verwijdert in zijn gedeelte ook de molenstenen en het maalwerk
maar laat aan de buitenkant het molenrad nog enige tijd intact.
Tenslotte mag het er nog steeds als een molen uitzien. Later zal dit
rad weggehaald worden en nóg veel later het waterrad aan de
overzijde. Na 1925 is zodoende het karakter van de watermolens
geleidelijk veranderd. De planken bekleding van de oliemolen aan de
linkerkant van de beek werd omstreeks 1927 vervangen door
metselwerk.
Ook het korenmolengedeelte
kreeg de al genoemde "gotische" vensters en bovendien een omloop
langs het water en Johan schilderde de oliemolen wit. Ook de
korenmolen is eerst wit, maar later steenrood.
Onder Johan’s gedeelte bevond zich geen kelder waarin het maalwerk
draaide. Alle molenactiviteiten speelden zich af op de begane grond
en hij wenst de ruimte te gebruiken voor andere activiteiten.
Moeder Trui, geboren op
boerderij "De Hutte", verliest al jong haar beide ouders en wordt
dienstmeisje bij Scholte Tenkink in Het Woold. Als ze in 1923 met
Johan trouwt moeten de eindjes aan elkaar geknoopt worden en doet ze
gedurende een lange periode verstelwerk voor families in het dorp.
Johan bouwt een flink huis aan de zijkant van de watermolen en een
paar werkplaatsen langs de molenkolk. Vooral in de crisisjaren
moeten er lange dagen gemaakt worden. Johan's broer Derk Willem
(1888-1945) die ook timmerman en aannemer is bouwt in de
buurtschappen boerderijen voor zo’n vier- ŕ vijfduizend gulden. Ook
in die tijd ongekend lage bedragen en zelf verdient hij er
nauwelijks aan. Derk Willem is echter een sociale werkgever die niet
alleen probeert zijn bedrijf aan de gang te houden maar ook tracht
zijn timmerlieden voor werkloosheid te behoeden.
Dan komt bij Johan en Trui het
idee op om de oude watermolen te verbouwen en er een ijssalon in te
beginnen. Thea kan zich niet meer herinneren wie het idee opperde,
maar de ijssalon wordt na de wereldoorlog een geweldig succes. Vader
en moeder zijn al heel erg druk, maar nu helemaal. Winterswijk is
verrukt van hun kwaliteitsijs.
Thea helpt volop mee in de zaak en ze laat bij veel bezoekers een
uitstekende indruk achter: "door haar te worden bediend was op zich
al een traktatie" schrijft Walter Knoop.
Het werk in de ijssalon is typisch seizoenswerk. In de zomermaanden
komen Johan en Trui handen tekort. Thea zegt: "en in de winter ging
de zaak op slot, daar gebeurde dus ook niks.... Helemaal op slot, er
was niks." De zaak loopt echter wel zó goed dat het timmerwerk een
tijdlang op een laag pitje staat. De rustige maanden worden vooral
gebruikt om alle tafels en stoelen van de zaak na te lopen, om te
vernieuwen en om materiaal te herstellen. "Er werd een heleboel
gedaan", zegt Thea, maar toch niet zo dat we er mensen konden
ontvangen. Het is ook in de wintermaanden dat Johan zich soms weer
voor kortere of langere tijd in het restauratiewerk begeeft. In de
zomermaanden is het vooral de ijssalon waarin het meeste werk
verricht wordt.
 |
Dit beeld van
Den Helder halen vele generaties Winterswijkers zich nog
steeds voor de geest als zij aan deze watermolen denken.
De oliemolen is wit geschilderd , evenals de korenmolen. De
laatste is tevens voorzien van een omloop boven het water.
Johan te Selle heeft molen en woonhuis grondig verbouwd en
er zijn lunchroom en ijssalon in gevestigd. |
 |
Op deze foto is
het buitenterras van de ijssalon te zien.
Het naambord prijkt nog op de hoek van de molen.
Het molenrad van de tegenover gelegen korenmolen is al danig
in verval. |
 |
IJssalon Te
Selle werd befaamd om de geweldige kwaliteit van het ijs.
Er was veel keus in soorten en smaken ijs.
In het zomerseizoen moest er dan ook hard gewerkt worden. |
Als Thea echter trouwt en in 1952 uit Winterswijk vertrekt is er
geen opvolger meer in het gezin voor de zaak. Broer Bertus is al in
april 1944 aan de gevolgen van een longontsteking overleden en de in
1934 geboren Geert wordt maar 3 weken oud. Het verdriet van beide
ouders over de twee zoons die ze verloren is altijd groot gebleven.
In
1957 verkopen Johan en Trui woonhuis en ijssalon en gaan ze samen
het grootste van de zomerhuisjes bewonen die hij eerder naast de
molenkolk gebouwd heeft als werkplaats. Het gebouw wordt helemaal
als woonhuis voor hen beiden ingericht. Jarenlang zullen ze daar nog
blijven om uiteindelijk te verhuizen naar de Morsestraat in
Winterswijk.
In het oude woonhuis woont dan Gerben Cornelius de Vries en ook de
ijssalon wordt door de nieuwe eigenaar bestierd. Naast het woonhuis
wordt er zelfs nog een restaurant aan vastgebouwd. Op 2 juli van
hetzelfde jaar heropent De Vries het Café-Restaurant De Olliemölle.
Johan - inmiddels 58 jaar oud - gaat door in zijn oude beroep van
timmerman. Hij werkt veel voor monumentenzorg en reist door de
gehele Achterhoek. Hij is een veelgevraagd vakman, die ook nog in
Arnhem aan de gesubsidieerde restauratie van oude gebouwen meewerkt.
Hoewel hij nog steeds zelfstandig is, beschikt hij thuis inmiddels
niet meer over een grote werkplaats. Die heeft hij verkocht en
omgebouwd. Voortaan zal hij gebruik maken van de werkplaatsen van
monumentenzorg.
 |
 |
|
Johan, Bertus, Thea, and
Geertruida te Selle
November 11, 1935 |
Johan and
Trui
August 1967 |
Tot aan zijn dood in december 1970 blijft Johan echter actief in het
restauratiewerk. Een val uit de nok van een gebouw in Winterswijk
dat ook gerestaureerd werd, wordt hem fataal. Moeder Trui wordt een
"monument" in de familie Te Selle in Winterswijk. Tot op hoge
leeftijd een knappe verschijning, die acte de présence geeft bij
alle belangrijke familiebijeenkomsten en geen gelegenheid onbenut
laat zich over het wel en wee van alle familieleden te informeren.
Dirk Willem te Selle
2005
[Bovenkant bladzijde]
|